De bril van Bröring (2)

Toen ik als zestienjarige mijn debuut mocht maken in het eerste van vv Noordwijk, was ik de gelukkigste man op aarde. Dat gebeurde in 1963 tegen SDCP uit Putten. Wat er van mij verwacht werd, was me helemaal duidelijk. Als linkerspits, opererend in een oeroude W-M-formatie (het toenmalige 3-2-5-systeem, om precies te zijn) moest ik, hoe dan ook, de rechtsback buitenom passeren en de bal exact bij de eerste paal voorzwiepen. Daar kwam dan Jan van der Lippe, onze topspits, tevens dorpsheld, instormen om de bal snoeihard binnen te knikken. Hier werd volop op getraind en wee je gebeente als je binnendoor je back voorbijging en een truttig balletje met je zwakke been voorpielde. Dan kon je op de maandagtraining van de oudere spelers een paar schoppen krijgen, omdat je niet geluisterd had. Werd de naar de eerste paal instormende Jan overigens kort verdedigd en kopte hij de bal in het zijnet, dan kwam het wel eens voor dat de scheidsrechter onterecht een corner gaf. Geen probleem... Jan pakte de bal, gaf het leer aan de leidsman en zei: "Sorry scheids, u was abuis, het was beslist geen hoekschop, ík raakte de bal het laatst!" Ging zo'n man dan toch nog op zijn strepen staan door te zeggen: "Zeg, ik ben hier de baas, nemen die corner!", dan werd de bal beheerst nét achter de doellat geplaatst. Dit alles met een goedkeurende glimlach op het gelaat van alle ploeggenoten, die zich allang weer op de eigen helft hadden opgesteld! Dat was de ongeschreven regel in die tijd en daar hield iedereen zich aan.

Toen ik na mijn actieve voetbalperiode trainer werd, is me dat altijd bijgebleven. Ik was vaak een opgewonden standje langs de lijn, maar had sportiviteit hoog in het vaandel staan. Het was ónze clubcultuur en het werd en bleef mijn teamcultuur. Als trainer nam ik aan het begin van ieder seizoen samen met mijn ploeg de normen en waarden door. Vervolgens werden er in overleg met de ploeg regels opgesteld om aan te geven waar de grenzen lagen. Niet alleen waar het ging om op tijd komen, het missen van een training of je mogelijke rol als wisselspeler, maar ook hoe te handelen als je nagetrapt, uitgescholden of zelfs bespuugd werd. Menig nieuwkomer fronste de wenkbrauwen bij het aanhoren van mijn Noordwijkse filosofie. Tijdens iedere thuiswedstrijd legde ik bijvoorbeeld vijf identieke wedstrijdballen klaar aan de zijlijn, zodat tijdrekken voor beide teams (!) geen zin had.

Dat ik niet alles voor kon zijn, spreekt uit het volgende voorbeeld. In de jaren tachtig werd er steeds meer met de geldbuidel gerammeld bij de zaterdagamateurs. Voor de 'eigen' jongens uit de dorpsclub had dat niet altijd even prettige consequenties. Ineens werd een plaatselijke vedette geconfronteerd met een betere speler van buitenaf. Toen ik na de training zo'n local hero moest vertellen dat hij komende zaterdag op de bank zou zitten, reageerde hij furieus. Later bleek dat al zijn ploeggenoten zich in de omliggende bosjes hadden verscholen, omdat ze al vermoedden dat het er heftig aan toe zou gaan. Hij ging me tijdens dat slechtnieuwsgesprek nog nét niet te lijf, omdat hij intussen al wat respect voor me had gekregen, maar toen ik de volgende morgen wakker werd, was mijn autootje verdwenen. In de daaropvolgende wedstrijdbespreking heb ik de groep verteld dat ik trots was op de teleurgestelde speler, omdat hij zich in elk geval óp het trainingsveld beheerst had. Mijn auto is nooit teruggevonden, maar toen ik zeven jaar later bij dezelfde club terugkeerde, stond er een kopie van mijn toenmalige auto, met dezelfde kentekenplaten (!) voor de hoofdingang op mij te wachten. Alle toenmalige spelers waren er om me voor de komende seizoenen veel succes toe te wensen...

Nu ben ik geen zestien meer, maar 61. Jammer dat trainers in het betaalde voetbal er niet een beetje dezelfde filosofie op nahouden. Ik erger me te vaak aan talloze onnodige incidenten tijdens de wedstrij- den. Jammer ook dat door het te ver voortschrijden van de clubbelangen de club- en teamculturen steeds verder vervagen. Behoudt bijvoorbeeld PSV nog wel de Eindhovense clubcultuur met zijn talloze nationaliteiten in de ploeg? En is Feyenoord nog wel de club van de mouwopstropende havenarbeider als de helft van de spelersgroep deze ongebreidelde werklust om uiteenlopende redenen niet meer kán of wíl tonen? Soms zou ik graag weer zestien zijn!

Benieuwd naar de andere columns van Bril. Bestel het boek vandaag nog.